Het gebruik van optische en
geluidssignalen is toegestaan voor bestuurders van brandweervoertuigen
welke een blauw zwaai- of knipperlicht en een twee- of drietonige hoorn
voeren om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.
Zij mogen dan als voorrangsvoertuigen afwijken van verkeersregels en
voorschriften voorzover de uitoefening van hun taak dit vereist.
De bestuurder
van een brandweervoertuig blijft wel steeds strafrechtelijk
verantwoordelijk en het gebruik van de optische en geluidssignalen
rechtvaardigt niet dat het overige verkeer in gevaar wordt of kan worden
gebracht.
Dit houdt in dat wanneer een verkeersongeval plaatsvindt met een
voertuig dat optische en geluidssignalen voerde, een (strafrechtelijk)
onderzoek zal moeten plaatsvinden naar de toedracht van het ongeval.
Voorrangsvoertuigen hebben geen recht om voorrang te nemen.
Het overige verkeer moet hen voorrang geven !
HET BEGRIP DRINGENDE TAAK
Een dringende
taak is voor de brandweer een taak ter voorkoming of beëindiging van een
voor de mens levensbedreigende situatie of van een situatie waarin
ernstige schade aan gebouwen of goederen ontstaat.
Ook kan in bijzondere gevallen ook het redden van dieren een dringende
taak zijn.
· een
uitruk naar een brand, brandgevaar, of ongeval waarbij redelijkerwijs
kan worden verwacht, of de kans aanwezig is, dat een mens acuut gevaar
loopt.
· een
uitruk naar een brand waarbij redelijkerwijs verwacht kan worden dat al
dan niet door uitbreiding acuut gevaar voor de omgeving bestaat.
· een
uitruk naar een automatische brandmelding.
· een
uitruk naar een ongeval met gevaarlijke stoffen waarbij redelijkerwijs
verwacht kan worden dat een mens acuut gevaar loopt, of aanzienlijke
maatschappelijke of milieuschade ontstaat.
Voor de duidelijkheid volgt hieronder een
opsomming van uitrukken waarbij geen sprake is van een dringende
taak:
·
containerbranden, waarbij geen direct gevaar is voor overslag naar een
ander object.
·
ongevallen waarbij de schade niet verminderd wordt door een snelle
opkomsttijd van de brandweer, zoals het verwijderen van een boom die op
een auto zonder inzittenden gevallen is.
·
ritten in verband met opleiding en oefeningen.
·
uitrukken waarbij dieren gered moeten worden.
Het redden van dieren is natuurlijk wel een taak van de brandweer, maar
wordt in zijn algemeenheid niet gezien als een dringende taak.
De reden hiervoor is de afweging van het risico op persoonlijk letsel in
verhouding tot het belang van het redden van dieren.
Wanneer in specifieke gevallen besloten wordt om een uitruk voor het
redden van dieren toch als een dringende taak te beschouwen, dan dient
hier nadrukkelijk een afweging plaats te vinden tussen het belang van
het redden van dieren en de kans op persoonlijk letsel.
PRIORITEITEN VAN UITRUKKEN
Er worden 3
prioriteiten van uitrukken onderscheiden.
·
Prioriteit 1
·
Prioriteit 2
·
Prioriteit 3
De centralist
van de alarmcentrale stelt als eerste de prioriteit van de eerst
uitrukkende voertuigen vast.
De hoogst leidinggevende (bevelvoerder, officier van dienst) is bevoegd
om deze prioriteit bij te stellen.
Deze dient een bijstelling van de prioriteit altijd te melden aan de
alarmcentrale.
Op het moment dat een leidinggevende (de bevelvoerder of de officier van
dienst) ter plaatse van het incident aanwezig is, stelt de hoogst
leidinggevende de prioriteit van de uitrukkende voertuigen vast.
Prioriteit 1 (dringende taak):
Een uitruk
waarvan de centralist van de alarmcentrale vindt dat er sprake is van
een dringende taak.
De uitrukkende voertuigen hebben toestemming van de alarmcentrale om
zich als voorrangsvoertuig door het verkeer te begeven.
De bevelvoerder is echter bevoegd om te beslissen om geen gebruik te
maken van deze toestemming.
Wanneer de bevelvoerder daartoe besluit (er is dan dus geen sprake van
een voorrangsvoertuig), zal deze dit melden aan de alarmcentrale.
Prioriteit 2 (noodzaak om ter plaatse te
komen):
Een uitruk zonder dringende taak, maar met
een noodzaak om ter plaatse te komen waarbij gebruik gemaakt mag worden
van de
vrijstellingen
die de minister aan de brandweer heeft verleend (er is dan nog geen
sprake van een voorrangsvoertuig).
De uitrukkende voertuigen hebben geen toestemming van de alarmcentrale
om zich als voorrangsvoertuig door het verkeer te begeven.
De bevelvoerder van een voertuig is bevoegd om gebruik te maken van één
of meer
vrijstellingen
voor het uitvoeren van werkzaamheden waarbij geen sprake is van een
voorrangsvoertuig.
De bevelvoerder van een voertuig is op grond van ervaring en
plaatselijke bekendheid bevoegd om te beslissen dat er toch sprake is
van een dringende taak en op te schalen naar een prioriteit 1 uitruk.
Wanneer de bevelvoerder daartoe besluit (er is dan dus sprake van een
voorrangsvoertuig), zal deze dit melden aan de alarmcentrale.
Prioriteit 3 (overige uitrukken):
Alle overige
uitrukken.
De uitrukkende
voertuigen mogen geen gebruik maken van optische en geluidssignalen en
evenmin van een vrijstelling.
Zij dienen zich aan alle verkeersregels te houden die ook voor het
overige verkeer gelden.
DE DUUR VAN HET GEBRUIK VAN OPTISCHE EN
GELUIDSSIGNALEN
De optische en
geluidssignalen worden alleen gevoerd als dit leidt tot een veiliger
verkeerssituatie en/of een kortere rijtijd van het uitrukkende voertuig.
Wanneer besloten wordt om het blauwe zwaailicht en de tweetonige hoorn
te voeren (en dat kan alleen bij "prioriteit 1"), dan worden deze
signalen vanaf dat moment in principe de gehele rit gevoerd.
Voorrangsvoertuigen hebben geen recht om voorrang te nemen.
Het overige verkeer moet hen voorrang geven !
Wanneer een brandweervoertuig tijdens de deelname aan het verkeer
gebruik gaat maken van de bovengenoemde optische en geluidssignalen,
gebeurt het inschakelen op een zodanige wijze dat dit geen
schrikreacties oproept bij de bestuurders van voertuigen vlakbij.
Bij het naderen van kruisingen of splitsingen van wegen, gebeurt het
inschakelen minimaal 100 meter voor de kruising of splitsing.
Wanneer een brandweervoertuig tijdens de deelname aan het verkeer wil
stoppen met het voeren van de signalen, dan dient dit op een zodanige
wijze te gebeuren dat hierdoor geen onduidelijkheid voor het overige
verkeer wordt geschapen (dus bv. niet vlak voor of na een kruising).
HET RIJDEN DOOR ROOD LICHT
Het door rood
licht rijden is alleen toegestaan bij "prioriteit 1" uitrukken.
Indien door
rood-licht wordt gereden dient de nodige voorzichtigheid te worden
betracht.
De maximale snelheid hierbij dient lager te zijn dan 20 km/uur en
bovendien mag het rijden door rood licht geen onnodig gevaar opleveren
voor de overige weggebruikers.
Bij spoorwegovergangen wordt nooit door rood licht gereden.
MAXIMUMSNELHEDEN
Het
overschrijden van de maximumsnelheid is alleen toegestaan bij
"prioriteit 1" uitrukken.
Bij het overschrijden van de ter plaatse geldende maximumsnelheid dient
de nodige voorzichtigheid te worden betracht.
De ter plaatse toegestane snelheid wordt met niet meer dan 20 km/uur
overschreden.
Op woonerven wordt stapvoets gereden.
Op de vluchtstrook is de snelheid maximaal 20 km/uur boven de snelheid
van het andere verkeer, doch maximaal 80 km/uur).
Wanneer de snelheid van het andere verkeer lager is dan 30 km/uur, mag
op de vluchtstrook toch 50 km/uur gereden worden.
TEGEN HET VERKEER INRIJDEN
Bij "prioriteit 1" en "prioriteit 2"
uitrukken is het tegen het verkeer inrijden toegestaan:
·
kortstondig over een afstand die vrij is en te overzien is;
· in
overige gevallen alleen onder politie begeleiding.
Bij gescheiden rijbanen (alleen bij
"prioriteit 1" uitrukken) is het tegen het verkeer inrijden toegestaan:
·
alleen na toestemming van de alarmcentrale, waarbij zeker gesteld is dat
het tegemoetkomende verkeer is stil gelegd;
· in
alle overige gevallen alleen onder politiebegeleiding.
Bij éénrichtingverkeer straten is het tegen
het verkeer inrijden toegestaan:
·
wanneer de aangegeven rijrichting geblokkeerd is (bij "prioriteit 1" en
"prioriteit 2" uitrukken);
·
wanneer sprake is van een behoorlijke tijdwinst (bij "prioriteit 1"
uitrukken);
de snelheid dient zodanig te zijn
dat gestopt kan worden binnen de afstand die te overzien is.